Preek 6e zondag van Pasen, jaar C, 19 mei 2001
Wie leeft in de liefde van Jezus, is nooit meer alleen. Er ontstaat een intieme en diepe relatie met God.
Wie leeft in de liefde van Jezus, is nooit meer alleen. Er ontstaat een intieme en diepe relatie met God.
Dit is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed: Voedsel om de Liefde in ons te versterken, het echte geestelijke krachtvoer, hemelse dope, opdat wij onbaatzuchtig kunnen beminnen, zoals Jezus.
We zoeken jonge herders, met de stem van Jezus, die weerstand bieden aan de macht van misleiding en angst. Die bereid zijn alles te geven.
'Petrus, heb je Mij lief?' Een vraag aan ieder van ons. En ieder van ons mag antwoorden.
Geestelijk grote schoonmaak houden, opruimen, geestelijke hygiëne bevorderen. Wat is het mooi dat Jezus daarvoor het sacrament van Gods Barmhartigheid heeft gegeven. En wat zouden wij verstandig zijn, als we het meer zouden gebruiken.
Ik zoek het leven. Het is Pasen. Dus liet ik de krant voor wat hij was, daarin vind je meer dood dan leven. Liet ik de radio en de TV, prognoses en berekeningen voor wat ze zijn, daarin vond ik geen leven, en ik wendde me naar het Evangelie, naar dit Paas-Evangelie.
Jezus is niet dood. Hij leeft. God is niet ver weg, Hij is dichtbij.
Een vredeshand is als een voetwassing, wanneer we inderdaad bereid zijn de kleinste te zijn, het eerst de hand uit te steken, open te staan voor een vreemde, de grenzen van ons ik-gerichte bestaan te doorbreken.
De zonde waardoor je rechtstreeks tegen Gods wil ingaat, vervreemdt ons van God en van onszelf, dat verscheurt onze relaties. Dit zegt Hij ook tot ons: ‘Zondig van nu af niet meer.’
Deze parabel is vaak genoemd: de parabel van de verloren zoon. Sommigen noemen het de parabel van de oudste zoon. Wij noemen het de parabel van de goede vader. Sterk in het wachten.
Zomaar een verhaal over vertrouwen: Durf je te vertrouwen dat de boom eens vrucht zal dragen en heb je daar werk en inspanning voor over? Durf je daar nog een jaar op te wachten? Vertrouwen is iets voor elke dag.
Jezus geeft wat je hart begeert, tenminste, als jouw hart begeert wat God behaagt, want je zal bij Hem niets vinden dat niet van God komt.